UIT HET VORIGE FEYENOORD MAGAZINE


BOUWEN AAN BETERE ATLETEN

Stijn Vandenbroucke is de nieuwe coördinator van de medische staf van Feyenoord. Hij sprak over zijn nieuwe rol in het laatste Feyenoord Magazine, dat verscheen voor de coronacrisis begon. Heb je zijn verhaal gemist? Je leest het hieronder! ‘We creëren een omgeving waarin er geen excuses zijn om te presteren.’

Elke ochtend als de slagboom van trainingscomplex 1908 zich opent voor de Opel van Stijn Vandenbroucke, heeft de coördinator van de medische staf er al een rit van een uur op zitten vanaf zijn huis in België. Hij kiest er bewust voor om vroeg van huis te gaan. Niet alleen om de files op weg naar Rotterdam voor te zijn, maar ook om tijdig en in alle rust te kunnen beginnen aan de voorbereidingen op een training dag bij Feyenoord. Als hij zijn auto heeft geparkeerd, ziet hij de dauw vaak nog op de trainingsvelden staan. In de uren voordat de spelers daarop hun entree maken, begint de dag voor Vandenbroucke officieel op het moment dat de medische staf samenkomt met de fysieke trainers Rick Cost en Bas van Bentum om het dagprogramma met elkaar door te nemen. Dan komt bijvoorbeeld ter sprake welke spelers door ziekte of een blessure niet kunnen trainen, of wie er juist een extra fysieke prikkel kunnen gebruiken op het veld of in de gym. ‘Er zijn dit seizoen verschillende mensen vertrokken en nieuwe stafleden op 1908 bijgekomen, maar de visies van de medische, fysieke en technische staf sluiten heel nauw op elkaar aan,’ vertelt Vandenbroucke met een Vlaamse tongval vanachter zijn bureau in het kantoor van de medische staf, dat door een glazen wand uitzicht biedt op de behandelkamer en daarachter de fitnessruimte. De onderlinge samenwerking binnen 1908 is volgens hem cruciaal. ‘Als we samen van alle ingrediënten een mooi gerecht maken, kunnen we succesvol zijn.’

HOE BEREIDEN JULLIE SAMEN DAT GERECHT? ‘Het belangrijkste is dat er een goede communicatie is tussen de clubarts, Casper van Eijck, de medische, technische en fysieke staf. Meer en meer vormen medisch en fysiek samen één departement, waarbinnen de lijnen soms door elkaar heen lopen en we dezelfde taal moeten spreken. Samen geloven we in harder en slimmer trainen, waarbij de basis voor succes wordt gelegd met de juiste trainingsarbeid op het veld. Door dagelijks goed overleg met elkaar te voeren en op een goede wijze gebruik te maken van data en de ervaring van de stafleden, proberen we ervoor te zorgen dat iedere speler de juiste prikkel op het juiste moment krijgt. Het kan zo zijn dat de ene speler dan meer of harder traint dan de ander, zodat de balans tussen hard trainen en goed herstellen voor iedere speler blijft kloppen. We proberen daarin te individualiseren, maar soms moet de volledige groep vooruit. Op die manier streven we ernaar dat de beschikbaarheid van de groep gemaximaliseerd wordt en creëren we betere en sterkere atleten die op langere termijn minder vatbaar zijn voor blessures.’

Stijn Vandenbroucke


‘We zijn er niet alleen om blessures te behandelen, maar vooral om van alle spelers sterkere atleten te maken’

WAT KOMT ERBIJ KIJKEN OM VAN SPELERS BETERE ATLETEN TE MAKEN? ‘Alles geven op de training is de sleutel tot succes, hard en consequent werken vormt de basis. Met ons medisch en fysiek team creëren we de voorwaarden om te kunnen presteren. Om te beginnen verzamelen en analyseren we van iedere speler zoveel mogelijk revelante data, die Rick Cost met zijn performanceteam vertaalt voor de trainer en implementeert in training. We kijken samen naar de fitheid en belastbaarheid van spelers, of ze niet te veel of juist te weinig doen. Ook testen we periodiek het bloed van spelers, de samenstelling van hun zweet, we doen fitnesstests en kijken naar andere zaken die individueel verschillen. We scannen regelmatig de vet- en spiermassa, die gekoppeld wordt in een individueel dieet- en herstelplan. Verder melden spelers zich in de ochtend om een vragenlijst in te vullen en testen we de jongens of ze klaar zijn voor de volgende prikkel. De objectieve en subjectieve data wordt voor elke speler in een plan gegoten voor de korte en lange termijn, zowel in de gym als op het veld. We proberen de spelers op al die gebieden zo goed mogelijk te begeleiden en te inspireren om beter te worden, maar uiteindelijk moeten ze het zelf doen. Wij creëren een omgeving waarin er geen excuses zijn om te presteren. De voetballer leert om 24 uur per dag met zijn vak bezig te zijn.’

WAT BETEKENT DAT IN DE PRAKTIJK? ‘Spelers zijn misschien een halve dag op de club, maar een betere atleet word je ook in de uren daarbuiten. Fit blijven, hard werken, goed herstellen en er alles aan doen om te presteren is de sleutel. Aan het begin van dit seizoen had ik contact met mensen van andere clubs en uit andere sporten zoals schaatsen, wielrennen, American football en rugby. Van hen leren we dat ze heel veel aandacht besteden aan het herstel na een wedstrijd. Wanneer eet je, wat eet je, slaap je goed, doe je alles wat je moet doen om te herstellen? Bij het eindsignaal van de ene wedstrijd begint de voorbereiding op de volgende. Dat betekent dat een speler snel de omschakeling moet kunnen maken naar het volgende duel. Spelers moeten weten wat ze moeten doen om optimaal klaar te zijn voor de volgende training.’

Stijn Vandenbroucke


‘Bij het eindsignaal van de ene wedstrijd begint de voorbereiding op de volgende’

ER BESTAAT NOG ALTIJD EEN BEELD DAT VOETBALLERS MINDER DOEN DAN VEEL ANDERE SPORTERS. ‘Als je het vergelijkt met individuele sporten, is dat ook zo, daar hoeven we geen doekjes om te winden. Je moet alleen niet vergeten dat voetbal geen duursport is. Voetballers kunnen niet zoals een triatleet tien uur gaan trainen op een dag, want dan zijn ze kapot. Als je vermoeid bent, kun je geen goede prestatie leveren. Het is dus constant zoeken naar de juiste balans om iedere speler de juiste prikkel te geven op het juiste moment. Daarbij moet de speler ervoor zorgen dat hij klaar is om die prikkel te krijgen door goed te eten en op tijd naar bed te gaan. Ook het mentale aspect speelt een rol. Voetballers zijn ook gewone jongens met gewone ‘problemen’. Er komt veel op hen af. Zo zijn sommige bijvoorbeeld voor het eerst alleen in een vreemd land, ze ervaren de druk om te presteren, moeten leren omgaan met blessures, teleurstellingen, commentaren op sociale media of het verdienen van hun eigen geld. Voor de ene jongen is het makkelijker om daarmee om te gaan dan voor de ander. Uiteraard spelen we daar als staf ook een rol in, want we zien elkaar vaak zeven dagen per week en winnen of verliezen samen. We begeleiden de jongens zo goed mogelijk om een professionele atleet te worden die alle potentie uit zijn carrière moet halen.’

SPELERS EN TRAINERS ZEGGEN VAAK: DE ENIGE MANIER OM ECHT WEDSTRIJDFIT TE WORDEN, IS DOOR WEDSTRIJDEN TE SPELEN. ‘In het voetbal wordt veel gesproken over fitheid, maar nooit over vermoeidheid. Spelers hebben wedstrijdritme nodig, dat is een waarheid als een koe, maar je hebt ook tijd nodig om te herstellen. Wat vaak gebeurt met een drukke kalender, met midweekse wedstrijden en veel reizen, is dat spelers cumulatief vermoeid raken. Ze kunnen dan niet meer herstellen van een bepaalde prikkel, wat zich uiteindelijk vertaalt in een wedstrijd. Je moet dus aan de ene kant zorgen voor een goede opbouw en training voor spelers, maar aan de andere kant is het belangrijkste dat de wedstrijden worden gewonnen. Dat is soms een lastige balans, want de ene speler is misschien vermoeid, de ander komt terug uit een blessure en de derde heeft geen wedstrijdritme. Dat zijn allemaal zaken om rekening mee te houden, maar dat is inherent aan voetbal. Uiteindelijk moet je het juiste evenwicht vinden tussen fitheid en vermoeidheid. Als je vermoeid bent, wil dat zeggen dat je overtraind of juist ondertraind bent. Dat kan per individu verschillen. De ene jongen die alle wedstrijden heeft gespeeld, moet dan misschien wat minder hard trainen, terwijl iemand die terugkomt van een blessure wellicht juist meer moet doen om op hetzelfde niveau te komen. Daarom geldt ook hier: je moet hard trainen, maar ook slim.’

IS ER QUA WERKWIJZE EEN GROOT VERSCHIL TUSSEN JOUW HUIDIGE BAAN EN JE VORIGE BAAN BIJ WEST HAM UNITED IN DE PREMIER LEAGUE? ‘Het belangrijkste verschil is dat de budgetten hier kleiner zijn, dat we meer jongere spelers hebben en dat de selectie kleiner is. Ik heb voorheen vaak in teams gewerkt waar je in de kleedkamer zat met elf miljonairs tegen het eind van hun spelersloopbaan, met stuk voor stuk sterke karakters. Bij Feyenoord is dat anders, omdat we meer met jongere atleten werken. Dat vereist een iets andere benadering, maar het is heel inspirerend. Professioneel had ik in Londen veel meer contact met bijvoorbeeld de eigenaars van de club, de media en de academie. Ook waren er meer meetings en dagelijkse problemen, terwijl ik minder direct met de spelers bezig was dan nu op 1908. Bij Feyenoord zijn de afdelingen minder gecompartimenteerd en werken we nauwer samen.’

Stijn Vandenbroucke


‘We werken met meer data en meer wetenschap dan ooit binnen Feyenoord’

KAN FEYENOORD ZICH OP MEDISCH EN FYSIEK GEBIED METEN MET EEN CLUB ALS WEST HAM UNITED? ‘Ik merk dat de lat telkens hoger wordt gelegd. De directie gelooft in een topsportomgeving, investeerde in staf en topfaciliteiten en is bereid om de lat de komende maanden en jaren nog hoger te leggen. Dat is een heel interessante uitdaging. We willen nog meer sport science en kennis implementeren, waarbij het de uitdaging is om de wetenschap te vertalen naar het veld, zodat die helpt om elke wedstrijd te winnen, ook als je twee keer in de week speelt.’

DAT VEREIST EEN GOEDE AFSTEMMING MET DE TRAINERS. ‘Daar kunnen we bij Feyenoord zeker niet over klagen. Het was voorheen goed samenwerken met zowel Giovanni van Bronckhorst als Jaap Stam en nu ook zeker met Dick Advocaat. Hij is een trainer die dankzij zijn jarenlange ervaring een duidelijke visie heeft en de zaken daardoor heel helder stelt, iedereen weet wat er verwacht wordt. Hij creëert een positieve omgeving waarin het makkelijk werken is met de jongens, doordat er een duidelijke structuur en discipline is. Er is een omgeving van no excuses, al vinden de spelers dat niet altijd even leuk. Zo zijn telefoons niet toegestaan en zijn orde en netheid belangrijk. De hoofdtrainer doet mij een beetje denken aan Sam Allardyce, met wie ik heb samengewerkt bij West Ham United. Die stond ook open voor alle inzichten, maar geloofde bovenal in slim en hard trainen. Harder trainen betekent iets anders dan mensen over de kling jagen. Ook Advocaat staat open voor een bepaalde visie indien je de juiste argumenten voorlegt, maar hij blijft de baas. De trainer weet precies wat en wanneer iedereen nodig heeft ter voorbereiding op een wedstrijd.’

Stijn Vandenbroucke


‘Toppers moet je vaak afremmen, terwijl je normale voetballers vooral achter hun veren aan moet zitten’

NAAST ENGELAND HEB JE OOK ONDER MEER IN RUSLAND, CHINA EN IRAN GEWERKT. WELKE LESSEN HEB JE UIT DIE PERIODES GETROKKEN? ‘Ik zie elke club waar ik heb gewerkt als een soort fase in mijn leven. Ik ben begonnen bij dokter Martens in Antwerpen en ben daarna in verschillende werelden geweest. In Iran was het moeilijk werken, met weinig faciliteiten en weinig vrijheid, maar ook daar heb ik leuke dingen meegemaakt en leuke mensen leren kennen. Rusland was supertof, met een heel mooie cultuur en gekke toestanden. Bij Anzji Machatsjkala heb ik met grote voetballers en interessante trainers mogen werken. Wat ik onderweg geleerd heb is: hoe hoger het niveau van een speler, hoe makkelijker het is om met hem te werken. Talent is niet alleen goed kunnen voetballen, maar talent is ook een bepaalde professionaliteit, goed kunnen slapen of een concentratieboog die langer is dan een uur per dag. Toppers moet je vaak afremmen, terwijl je ‘normale’ voetballers vooral achter hun veren aan moet zitten.’

WAS JE NA JE PERIODE BIJ WEST HAM UNITED UITGEKEKEN OP EEN LEVEN VER VAN HUIS? ‘Wel en niet. Als je in de Premier League werkt als hoofd Medical and Sports Science, dan heb je het druk en dat is leuk. Mijn team bestond uit twaalf mensen en we legden de lat zo hoog mogelijk, een heel boeiende periode. Het minpunt aan mijn werk was dat mijn passie – het echt werken met de spelers, het revalideren van en met geblesseerde spelers – een beetje op een laag pitje kwam te staan, omdat ik een soort manager was geworden. Ik vond mezelf daar nog te jong voor en besloot weer te gaan doen wat me echt boeit in het leven: met m’n handen bezig zijn, spelers inspireren en beter maken. Ook speelt mee dat ik mijn kinderen graag wil laten opgroeien in België. Mede daardoor ben ik afgelopen zomer niet ingegaan op een aanbieding van LA Galaxy. Een leuke uitdaging, maar het werk hier is nog niet klaar, want ik wil nog een kampioenschap meemaken in Rotterdam.’

In het laatste Feyenoord Magazine lees je verder onder meer een groot interview met technisch directeur Frank Arnesen en kom je ook meer te weten over de roots van Marcos Senesi.