COLUMN JAN BOSKAMP


SCHEEL

Oud-Feyenoorder Pieter Collen vertelde mij ooit dat ik in een lijst van de tien meest succesvolle Nederlandse trainers sta. Ik geloofde er niks van. ‘Zit niet te zeiken,’ zei ik tegen hem. Het bleek echt zo te zijn, al zei het me eerlijk gezegd niet zoveel. Als trainer ben je volledig afhankelijk van je spelersmateriaal. Als je prijzen wint, is dat op de eerste plaats de verdienste van de spelers.


Daarom heb ik ook altijd gezegd dat je niets leert op de trainerscursus. Je kan veel beter een keer stage lopen bij een grote club, dan dat je alles uit boeken haalt. Ik las bijvoorbeeld ooit over split-vision, dat betekent zoiets dat je als voetballer twee spelers tegelijk in de gaten moet houden. Een goede voetballer moet dus blijkbaar scheel zijn. Je wordt toch gek van zulk gelul?

‘Ik las ooit over split-vision. Een goede voetballer moet dus blijkbaar scheel zijn’


Hetzelfde geldt voor rompstabilisatie, waar je de laatste jaren steeds meer over hoort. Vroeger heette dat gewoon lichaamsbeheersing. Bij Beveren zag ik dat jeugdtrainers hun spelers dertig minuten per training tussen touwladders op de grond lieten springen. Toen heb ik gelijk gezegd: ‘Dat doen we niet meer’. Kinderen zijn al soepel van zichzelf, die kan je beter met de bal in de weer laten gaan. Als ik een klein kindje een bal inspeel, wil ik dat hij dood aan zijn voeten ligt, dát vind ik belangrijk.

Jan Boskamp


'De Kuip
blijft speciaal'


Duivelse dilemma's